Rabarber, met Jan van Tienen

Berichten over saus, vernedering, etc.

Hoe de stadsfietser zijn ziel verloor – en weer kan hervinden (Vrij Nederland)

Voor Vrij Nederland geschreven: een essay over morele wel en wee van tien jaar lang jezelf per fiets door steden verplaatsen. Leuk stuk hoor, vind ik! Lees het hier.

Aantekeningen bij ‘Professor Borges’

Professor Borges – A Course on English Literature (2013) is een serie uitgeschreven colleges die de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges (1899-1986) in de jaren 60 aan een universiteit in Buenos Aires gaf, netjes ge-edit en geredigeerd door keurige literatuurwetenschappers. Ik kocht en las het tijdens een vakantie aan een meer in Amerika. Borges besteedde zijn leven aan de literatuur. Op zijn negende vertaalde hij Oscar Wilde in het Spaans, op zijn twaalfde las hij Shakespeare, de bibliotheek van zijn vader noemde hij de belangrijkste gebeurtenis van zijn leven. In zijn korte verhalen en essays springt hij van Averoes naar Bernard Russell naar Cervantes. En als je al die verwijzingen leest krijg je het gevoel dat je zelf ook een deeltje van dat netwerk van literatuurgeschiedenis kan begrijpen, omdat hij over al die schrijvers schrijft alsof hij pizza eet. Of weet ik het, noem eens iets heel gewoons. Kanye. Ondanks de eruditie vond ik ‘Professor Borges’ in eerste instantie tergend saai. Dat kwam misschien doordat de dagbesteding bij dat meer bestond uit waterskiën of met een negen millimeter schieten. In Nederland zette ik het lezen door, en werd ik beloond. Ik wil drie amusante feiten over en uit het boek vertellen.

1. De ontstaansgeschiedenis. De samenstellers van het boek, Martín Arias en Martín Hadis, beschrijven in de inleiding het reconstructieproces dat ten grondslag lag aan de totstandkoming van deze uitgave. In de jaren 60 was Borges belangrijk en bekend genoeg om zijn colleges op geluidsband op te nemen, maar hij had nog niet de internationale status van literatuurlegende die hij later zou krijgen. Daarom hebben ze de geluidsband van zijn colleges na een poosje weggegooid. Het boek is gebaseerd op een transcriptie van een niet genoemde student, die de colleges overnam voor andere studenten. Dat gebeurde vaak fonetisch. ‘Dr. Jekyll and Mr. Hyde’ werd daardoor verbasterd tot ‘Jaquil’, ‘Shekli’, ‘Shake’, ‘Sheke’ en ‘Shakel’ (Jekyll) of ‘Hi’, ‘Hid’ of ‘Hait’ (Hyde). De filosofoof Oswald Spengler werd soms opgeschreven als ‘Stendler’, ‘Spendler’ en soms zelfs als ‘Schomber’. De introductie van het boek eindigt met de boodschap: ‘We hope the reader enjoys reading this book as much as we enjoyed editing it’, waar ik iets van sarcasme in lees, aangezien het nogal een grove rotklus moet zijn geweest.

2. Borges’ leesbare genoegen om verhalen te vertellen tijdens zijn colleges. Ik stel me voor dat deze al verschrompelende hombre (hij was al een end in de zestig), die zijn lust en zijn leven aan de literatuur had geofferd, mompelend voor een zaal studenten stond, te oreren over vijftien eeuwen Engelse literatuur. Wat een genot moet dat zijn geweest. Te meer omdat Borges zo’n voelbare liefde heeft voor zijn literatuur. Dat wordt duidelijk als je zijn korte verhalen en essays leest, maar ook in het nawoord dat hij bij zijn colleges gaf:
“I believe that the phrase ‘obligatory reading’ is a contradiction in terms; reading should not be obligatory. […] Pleasure is not obligatory, pleasure is something we seek. Obligatory happiness! […] For twenty years, I have been a professor of English literature […], and I have always advised my students: If a book bores you, leave it. […]Reading is a form of hapiness, so I would advise all possible readers […] to read a lot, and not to get intimidated by writers’ reputations, to continue to look for personal happiness, personal enjoyment. It is the only way to read.” Zoet.

3. Borges’ waardering voor biografische informatie. Hij geloofde dat literatuur meer ging leven als je de schrijver van het werk dat je bestudeerde beter kende. Daarom zitten zijn colleges vol met biografische aspecten van de schrijvers die hij noemt. Het gevolg is dat ze tjokvol zitten met anekdotes die je wilt delen met je mensen. Zoals:
– Dante Gabriel Rossetti (1828-1882) voelde zich schuldig dat hij naar de hoeren ging, en toen zijn vrouw stierf uitte zijn schuldgevoel zich als volgt: het voltooide manuscript van een dichtbundel begroef hij met het lichaam van zijn dierbare. Een paar jaar later overtuigden zijn vrienden hem van het feit dat het echt zonde was dat dat boek daar maar lag, en toen heeft Rossetti het toegestaan zijn overleden vrouw op te graven, haar vergane knekels uit elkaar te wrikken en het boek te hernemen, voor de literatuur. Rossetti bedronk zich ondertussen. De witte aanslag op het boek kregen ze er niet meer van af, maar de publicatie ervan maakte Rossetti beroemd.
– Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) was een schrijver die opium met alcohol gebruikte om te slapen, op doktersvoorschrift. In een landhuis waar hij verbleef deed hij een narcotisch middagdutje, en toen droomde hij het gedicht dat hij later Khubla Khan noemde. Een man sprak als uit de hemel tot hem. Toen hij wakker werd, schreef hij de eerste zeventig dichtregels op, tot een tuinman uit de buurt bij hem aanklopte en hem een uur aan de praat hield over agrarische wetenswaardigheden. Daarna wist Coleridge zich niks meer van het gedicht te herinneren. Volgens Borges vervloeken liefhebbers van het Engels die tuinman nog steeds. Het onvoltooide gedicht lees je hier.

O ja, er zitten verder geen vrouwelijke schrijvers in dit boek. Nul stuks. Viel me op.

Ik schreef dit stukje een paar jaar terug voor het belangrijke onbelangrijke De Gebroken Rug.

Zelfdoding moet bespreekbaar zijn, maar het blijft oppassen met de waarom-vraag (voor De Correspondent)

‘Wat moeten we met zelfdoding? Als we dat wisten, 

Professionals en media zeggen altijd: praat erover. Schuif het onderwerp niet onder stoelen of banken. Ik probeerde dat te doen. Ik deed jaren over een zoektocht naar drie suïcides in mijn moeders familie, met als doel erover te schrijven.

Maar ik stapte in een moeras: ik probeerde de waaromvraag te beantwoorden. Waarom kozen deze drie mensen ervoor uit het leven te stappen?

Dat het onderzoeken van die waaromvraag problematischer is dan je misschien denkt, probeer ik hier uit te leggen. Om mijn eigen verhaal beter te begrijpen, maar hopelijk ook als voorzichtige waarschuwing.’

De Correspondent publiceerde vorig jaar juli mijn essay over zelfdoding. Lees het hier.

We voelden wat proletariërs aan de tand over de staat van het Marxisme (voor VICE)

‘Gefeliciteerd met Karl Marx’ tweehonderdste verjaardag! De schrijver van Das Kapital, de vader van het communisme is op deze dag in 1818 in het Duitse Trier geboren, waarna hij zijn leven besteedde aan het ontwikkelen van ideeën over klassenstrijd, vervreemding, kapitalisme en communisme. Die ideeën hebben de wereldgeschiedenis direct beïnvloed, samen met een hele reeks aan filosofen, economen en andere denkers. Marx was een linkse messias, en zijn ideeën worden nog altijd bestudeerd.’

‘Ter ere van Marx’ verjaardag maakte ik een pelgrimstochtje naar het huis waar Marx in 1863 en 1864 heeft gezeten, om te zien hoezeer het Marxisme nog leeft onder de mensen van Zaltbommel. Zo’n beetje de enige Marxisten die ik vandaag de dag nog tegenkom zijn studenten of afgestudeerden met dure dr. Martens en goedkope doch smaakvolle bovenkleding. Daarom probeerde ik tijdens mijn tocht vooral mensen aan te spreken waarvan ik vermoedde dat zij zich onder de werkende klasse zouden scharen. Hoe liep dat af? Lees maar snel verder!’

Lees hier het hele stuk.

Een gids voor hoe je een scriptie schrijft (en hoe het in werkelijkheid gaat)

Een scriptie schrijven is een aaneenschakeling van goede bedoelingen, zelfhaat, sprankjes hoop en koud verdriet. Het zou gesmeerd moeten kunnen lopen – maar meestal loopt het anders.

Werner Herzog heeft ooit gezegd dat je nooit langer dan een maand aan wat voor scriptie dan ook moet besteden, maar hij is een genie en een filmmaker, en weet bovendien niets van het Nederlands academisch stelsel.

Toen ik geschiedenis studeerde heb ik binnen twee jaar tijd zo’n tien maanden aangehikt tegen het schrijven van een bachelor- en een masterscriptie. Ik weet inmiddels hoe je dat zwijn met een hogedrukreiniger tot bloedens toe reinigt, is wat ik probeer te zeggen. Althans, in theorie. Wat volgt is een lijst met tips die ik kan geven, steeds gevolgd door wat er gebeurt als je die tip niet opvolgt, en het op mijn manier doet. (Deze gids is overigens bedoeld voor mensen die een studie in de geesteswetenschappelijke richting doen, want je moet schrijven over wat je weet, en bèta, dat weet ik niet)

1) Wat je moet doen: Op tijd beginnen.

Wat je doet: Je praat over op tijd beginnen. In de bar zeg je dat je een scriptie moet schrijven, onder de douche denk je aan de scriptie die je moet schrijven, tijdens het poepen check je Twitter en denk je aan de scriptie die je moet schrijven. De eerste deadline, waarin je voor je begeleider vastlegt waarover die ploert van een scriptie nou echt over gaat, is een voorteken voor de rest van het proces. Die deadline is gesteld om twaalf uur ’s nachts. In dat geval sta je die ochtend rusteloos en zwetend op en ga je eindelijk zitten om dat proposal eruit te rammen. Als je daarmee voor driekwart klaar bent, om acht uur ’s avonds, ben je ontsteld en voldaan over het feit dat je in zo’n korte tijd zoveel werk hebt verzet. Dan denk je: jeetje, als ik zoveel werk in zo’n korte tijd kan doen, kan ik nu best even kijken of er nog iets nieuws op YouTube staat. Om tien uur ga je koortsachtig verder typen en om drie uur ’s ochtends stuur je je begeleider een mailtje met sorry’s en een grapje en je voorstel, en dan ga je slapen om vervolgens weken aan een stuk niets aan je scriptie te doen.

lekker lezen

 

2) Wat je moet doen: Een behapbaar onderwerp kiezen, waar je in een paar maanden tijd alle relevante wetenschappelijke publicaties over kunt lezen, waarbij de primaire bronnen die je moet bekijken daadwerkelijk in te zien en te lezen zijn en waar je dan ook nog iets zinnigs over kunt zeggen.

Wat je doet: Je bent niet voor niets geschiedenis, literatuur of filosofie gaan studeren. Het geld, daar doe je het zeker niet voor, maar dat cultureel kapitaal, daar wil je woekerrentes op halen. Dus wat doe je? Je besluit dat je de geschiedenis van de wereld volgens Jan van Tienen wilt schrijven. Dan kun je tenminste eindelijk eens die link leggen tussen beschaving, culturele vertalingen en de huidige staat van verval waarin de maatschappij verkeert. Je hebt vage ideeën over cynisme, de wereld, en de laatste drie moeilijke boeken die je hebt gelezen, en door verschillende opiniestukken in kranten raak je overtuigd van het verband tussen Alles. Goed, ‘Hoe ontwikkelden cynisme en beschaving zich doorheen de geschiedenis?’ is nog niet echt een werkbare vraagstelling, maar het Gevoel dat het briljant wordt, dat heb je. Het is nog wat grijs, dat Gevoel, maar je weet zeker dat je dat rond krijgt. Tegen de tijd dat een nieuwe deadline opdoemt besef je dat Foucault, Martin Bosma en globalisering toch echt heel weinig te maken hebben met die negentiende eeuwse Nederlandse vertaling van een Engels boek dat je wilt bestuderen, en dan besluit je je onderzoeksvraag schoorvoetend terug te schroeven tot ‘Hoe werd de negentiende eeuwse vertaling van het boek Self-Help in Nederland ontvangen tussen 1860 en 1900?’. Je lacht. Bitter.

3) Wat je moet doen: Je tijd efficiënt indelen en een planning maken: eerst zoek je je secundaire literatuur, dan schrijf je je theoretisch kader, dan gebruik je dat om je primaire bron te analyseren en te duiden, en vervolgens schrijf je je conclusie. Je zorgt dat je twee weken voor je deadline klaar bent, zodat je je werk een week kunt laten liggen, en dan alles nog eens goed over kunt lopen. Je bronnen netjes alfabetiseren. Plastic mapje eromheen. Keurigheid.

Wat je doet: Op momenten dat je jezelf ertoe kunt zetten ‘aan je scriptie te werken’, sla je aan het verzamelen. Via Jstor, de bibliotheek en andere databases die je begeleider heeft aangeraden zoek je op alle mogelijke variaties en sleutelwoorden die iets met je scriptie te maken hebben. Dit doe je een paar maanden lang als je zegt dat je ‘aan je scriptie gaat werken’. Het resultaat is een map met 263 verschillende pdf’s van artikelen en hoofdstukken uit boeken en talloze met je telefoon gemaakte foto’s. Je kast puilt uit van de mappen met uitgeprinte artikelen en hele boeken waarvan je vaag het idee hebt dat je ze nog gaat gebruiken. Ook heb je nog een map met 900 krantenartikelen uit de negentiende eeuw. Het zijn zoveel artikelen en boeken dat als je ze op een stapel zou leggen, je je er misschien met lichamelijk letsel tot gevolg af zou kunnen werpen. Een maand voor de deadline begint dat fijne gevoel over die verzameling tekst weg te ebben en plaats te maken voor realisme. Zoeken is niet hetzelfde als lezen, nadenken en schrijven. Dus begin je daar aan. Maar god. In dit academische artikelen vind je zinnen die zo omfloerst zijn dat het aan het criminele grenst. En dan, met drie weken te gaan, tref je op een avond die ene zin aan. Een zin zo walgelijk dat je het gevoel hebt dat je er voorgoed in zult blijven hangen. Dit is de zin:

Speaking very generally, we may say that the nineteenth century’s distinctive preoccupation with the shaping power of time, with the slow, sedimentary processes of development, be it of geological layers or legal customs or whatever, produced an intensified awareness of the role of habit. ( uit The Idea of ‘Character’ in Victorian Political Thought door Stefan Collini)

“WAT STAAT DAAR!” schreeuw je tegen het papier. “DIT BETEKENT NIKS!” Er wordt bedoeld: in de negentiende eeuw vonden mensen gewoonte belangrijk, maar de auteur heeft het op zo’n manier opgeschreven dat je vermoedt dat hij kleine baby’s wilde laten stikken met de wolligheid van zijn zin. Iets later besluit je dat de rol van gewoonte niet helemaal onbelangrijk is in jouw scriptie, en dan citeer je schoorvoetend het artikel waar De Zin in staat. Je hebt het gevoel dat je scriptie jou aan het schrijven is, maar dan als klucht. Dit gaat zo drie weken door, met steeds korter wordende nachten, en een toegenomen koffieconsumptie. Waar gaat dit in godsnaam heen, denk je dagelijks, tot er een nacht komt waarin je als een soort Neo over zes boeken en acht artikelen hangt en ineens de Matrix ziet. Lijnen van tekst en betekenis schieten door je hoofd, je brein is een snelweg voor duiding. Het gevoel is transcendent, het is subliem en het is de volgende ochtend compleet verdwenen. In het weekend drink je alcohol voor drie, want er moet ontladen worden. Het weekend voor de deadline zonder je je af, met een grote pot chili. Dat scheelt kooktijd.

Zondagavond, twee uur voor de deadline, heb je je zevende bord chili op, en je studeerkamer riekt kwaadaardig. Scheel van je eigen scriptie heb je op je naar bonenscheet ruikende tandvlees je conclusie afgeschreven. HAHA!, denk je, maar dan zie je dat je je honderd bronnen in zestien verschillende lettertypes, en evenveel formaten hebt opgeschreven. Ze staan niet op alfabet. Je begint hieraan, maar je bedenkt je dat je ook alles nog op spelfouten moet overlopen. Je vriendin zit op de bank een film te kijken. Je kijkt naar haar. Ze merkt dat je kijkt. “Dibbes”, zeg je. “Zou je misschien iets voor me willen doen?” Ze doet het, ze zet je bronnen op alfabetische volgorde. Zuchtend. Dit is goed, je houdt nu meer van haar, maar het is ook niet goed, want ze houdt nu minder van jou. En dan lever je een minuut voor de deadline je scriptie in, online.

lekker denken

 

4) Wat je moet doen: Als je je scriptie hebt ingeleverd moet je berusten in het feit dat een scriptie in de geesteswetenschappen een minuscuul bouwsteen is in het project dat humaniora heet. De kans is klein, maar het is mogelijk dat iemand op een dag verder gaat op jouw onderzoek en dan iets supersicks schrijft. Bovendien was je kortstondig de autoriteit in Nederland op het kleine stukje geschiedenis waar je scriptie over ging.

Wat je doet: Ervan overtuigd zijn dat wat je schrijft een afgrijselijk stuk proza is, een niemendal dat verdrinkt in een poel van stoftranen. Als een labiele clown slinger je tussen gevoelens van absolute zelfhaat en cynische lach, opgewekt door slaapgebrek. Je wist niet dat je fysiek misselijk kon worden van het teruglezen van een tekst, maar je eigen scriptie speelt het klaar. Goed, je hebt een acht gekregen voor je scriptie, maar die 8 is een beetje als de piramides. Mooi werk, jammer dat het alleen mogelijk werd gemaakt door menselijk lijden. Daarna ga je een baan zoeken!

Lees anders ook Hoe schrijf ik een scriptie? van Umberto Eco. Het was de inspiratie voor dit stukje, en is naast bruikbaar ook heel geestig.

Dit stuk schreef ik eerder voor VICE Nederland, onder vriendelijke redactie van Ewout Lowie. Je vindt de oorspronkelijke versie hier.

Werk van de laatste maanden

“Having an un-updated website is even worse than not having one at all”, zei een van de kunstenaars met wie ik in maart en april de residentie van Deltaworkers deelde in New Orleans. Dit vertelt u dat ik in ieder geval bezig was: ik was schrijver-in-residence in New Orleans! In Amerika! Daarnaast heb ik niet stilgezeten, ik schreef voor VICE een paar artikelen over de dood, de zelfdoding en hoe we de minder gefortuneerde medemens moeten behandelen (o.a.). Voor De Speld schreef ik onder meer stukken over huisgenoten, hooligans, en het universum dat zich tegen iemand keert. Voor Das Mag schreef ik een stuk over bijna Amerika niet binnenkomen (had ik verteld dat ik twee maanden in New Orleans was? Het Letterenfonds had me gesubsidieerd om daar aan mijn nieuwe boek te werken).

Op Terschelling werkte ik mee aan de dagkrant van het Oerol-festival, waarvoor ik onder meer een man sprak die daar een filmfestival organiseert, waarbij ze locatietheater rondom de films organiseren. De man vertelde toen dat ze een keer bij een film over de Tweede Wereldoorlog hadden bedacht dat het een goed idee zou zijn dat de organisatie zich in SS-uniformen zou hijsen. Vervolgens werden de bezoekers in bussen gestopt, waarbij ze niet werden aangekeken. “We wilden ze echt ontmenselijken, een beetje opstoken”, zei de organisator. “Vervolgens sorteerden we de mensen op kleur ogen, zonder dat we ze dat overigens vertelden. Daarna namen we ze mee naar de duinen, waar we ze agressief uit de bussen joegen. ‘Snel!’, riepen we, en we lieten we ze strak achter ons aanlopen. Nou toen voelde je al dat de spanning toch een beetje opliep. Uiteindelijk kwamen we dan bij een bunker, die met rood licht en rookmachines uitgedost was. Daarbinnen konden mensen dan met voedselbonnen jodenkoeken en tulpenbollen kopen, en die film zien.” Ik heb niet gevraagd waar die film over ging, maar wel met uiterste verbazing naar deze anekdote zitten luisteren. Hoe het ook zij, die dagkranten kun je hier teruglezen, ik werkte mee aan de laatste vijf edities.

Wat nog? O ja, ik deed redactie en presentatie van Het andere verhaal, de literaire talkshow in Cinetol, ik trad op op Mooie Woorden in Utrecht bij het Onder Je Voeten, Boven de Wolken-festival, presenteerde de Engelse vertaling van enkele hoofdstukken van mijn debuut in New Orleans (een stad in Amerika waar ik het genoegen had twee maanden te mogen verblijven, mocht ik je tegenkomen zal ik je er nog eens uitgebreid over vertellen!), onderhield mondjesmaat Twitter en Instagram en werkte verder voor de kost bij VPRO’s Nooit Meer Slapen. Ik vergeet vast genoeg, maar dat is niet erg, want denken is een vorm van vergeten.

En de plannen, o god de plannen, als plannen lintworm waren zou ik nooit meer ophouden met eten. Als plannen vriendschap waren was ik mezelf en Boudewijn Bollmann, als ik een fractie van mijn plannen waar kan maken zal ik eindeloos gelukkig zijn en ook voor eeuwig leven. Tot die tijd: aan de slag, zet hem op, maak die aanstalten, toon het initiatief. Tegen wie spreek ik?

Familie als churros

Ik hou van familie, ik heb moeite met familie. Een paar weken terug had ik familieweekend. Ik organiseerde het met twee neven. We hadden vijf of zes keer vergaderd over hoe we het zouden aanpakken, dus het was relatief goed voorbereid, relatief stressvrij. Met 35 mensen tussen de 0 en 71 jaren oud zaten we zo in een aftandse hoeve in Bergeijk, van vrijdag tot en met zondag. Het was de goedkoopste die we online hadden kunnen vinden. Op de vrijdagmiddag kwam mijn meest energieke oom aan, hij begon direct een groot verchroomd stuk keukenapparatuur uit zijn auto te laden. “Moet je kijken man, kost 500 euro nieuw, heb ik voor 185 op de kop getikt. Een churros-machine is het.” Het was een churros-machine. Churros zijn Spaanse gefrituurde deegstaven, in een stervorm. Ze zien er zo uit:

Schermafbeelding 2016-06-28 om 20.08.54

Mijn oom zei: “Ik verkoop het op festivals. Voor een paar euro koop je suiker, meel en eieren, en we verkopen die churros voor twee euro per portie. Pure winst.” Hij stelde zijn eveneens nieuwe frituurpan buiten op en begon meteen churros te frituren. Ondertussen kwamen ook andere familieleden aan, die ons hartelijk begroetten, en me vertelden dat ik er stevig uitzag. Ze klopten op mijn bovenarmen en buik en zeiden: “Zo, lekker stevig!” Ik knikte. Die eerste avond dronken we whisky en vele goedkope bieren uit halveliterblikken en rode wijn.

De volgende dag was glorieus. Moeders met baby’s, opa’s en oma’s met grote ogen van trots, voetballen in de zon. Die avond kookten we met de kookploeg avondeten voor iedereen – asperges en ham en bechamelsaus en dergelijke. Toen: de grote schok. Er viel een pan met wel drie liter kokend water van het fornuis. Mijn twee neven konden ondanks hun katers net op tijd opzij springen. We schrokken ons lam, maar het kwam goed, op enkele rode plekjes huid na.

Mijn energieke oom stond net naast zijn frituurpan, buiten. Hij keek sip. “Twee keer gebruikt, en nu al stuk”, zei hij. De andere familieleden vroegen naar mijn boek, en wat ik verder deed, en wat ik van plan was de komende tijd. “Wat vond je van het boek?”, vroeg ik, en dan zeiden ze mooi, goed geschreven, interessant. Ik dronk stevig door van het bier uit halve liters en dacht na over al die keren dat ik op familieweekend was en niet meer wist wie ik zelf was. Die nacht was ik bang dat er een teek in mijn oor was gekropen.

Op zondagochtend, de laatste ochtend, was ik vroeger wakker dan anderen, en toen begon ik eieren te bakken. Mijn oom was slim geweest: hij had een volle pan met olie op het gasfornuis opgesteld, de verchroomde churros-machine ernaast. Kinderen renden af en aan, langs die pan. Het vet borrelde tegen de wanden op. Het gevaarte stond op hetzelfde pitje als die waar de pan met kokend water af was gekukeld. Ik probeerde eieren te bakken, maar de eieren plakten aan de bodem, en niemand wilde ze al eten toen ik ze de zaal in bracht. “Kijk uit met die pan met vet”, zei ik toen ik terug kwam in de keuken. “Zeker”, zei mijn oom, “zeker.” Hij zette de pan wat verder op de pit en hij ging door met bakken.

Ik voelde een mengeling van woede en afkeer over die borrelende pan met vet. Waarom moet hij juist nu zoete churros frituren, terwijl ik met een kater eieren bak, dacht ik. En dat terwijl ik gisteravond nog dacht dat er een teek in mijn oor zat. Meteen daarna voelde ik schuld over dat ik boos werd om zo’n aardig en lief gebaar. Schuld, zelfhaat, liefde, churros: familie.

De vreemde leugens

Op het skatepark kwam er een kleine jongen naar me toe. Hij vroeg: “Hoe lang skate je al?” Ik zei: “Uh, goeie vraag zeg.” Hij zei: “Hoe oud ben je eigenlijk? Of u, hoe oud bent u?” “Dertig”, zei ik toen, wat een vreemde kleine leugen was, me een jaar jonger voor doen dan ik eigenlijk ben. “O ja, dan heb je zeker lange periodes niet geskate en zo, omdat u het te druk had met andere dingen”, zei de jongen. Ik zweeg beduusd, want dat is exact hoe ik mijn antwoord zou gaan verwoorden. “Hoe lang skate jij al?”, vroeg ik ten slotte en hij zei: “Al acht jaar, en ik ben op mijn vierde begonnen.” Daarna vroeg hij: “Heeft u eigenlijk kinderen?” – “Nee”, zei ik. “Jij?” – “Ja, twee”, zei hij, en hij rolde weg.

Leven, een altgeschiedenis

Lees dit en bedenk je dan: wat heb ik de afgelopen weken op het internet gezien? Lees verder »

Mijn leven in internet

Alle interessante dingen die ik uit mijn internetgeschiedenis haal (licht gereviseerd natuurlijk, om de gênantste dingen niet te hoeven melden). Lees verder »